Ringsnavels


De eerste lange Canadese avond blijf ik steken in de haven van Port Colborne, op de vierkante parkeerplaats met weinig auto's en veel meeuwen. Aanvankelijk herken ik die meeuwen niet. Mijn eerste indruk is dat ze vrij groot zijn, met saffraangele poten en snavel en een helder geel oog. Als een kleine geelpootmeeuw. Pas wanneer ik ze beter bekijk dringt tot me door dat het allemaal ringsnavels zijn.
  Behalve op parkeerplaatsen kom ik ze tegen op grasveldjes, in winkelcentra en aan alle mogelijke stranden. Overal eigenlijk. Waar ik ook ben, het is karig gesteld met de vogeldiversiteit, maar de ringsnavelmeeuw houdt me steevast gezelschap.
  Oppervlakkig gezien heeft de soort iets weg van onze eigen stormmeeuw. Maar hij is duidelijk een maatje groter en heeft een scherp geel oog in plaats van het vriendelijke, donkere kraaloogje van de stormmeeuw. Beide zijn ze losjes verbonden met de kust.
  Later lees ik in Gulls (Olsen en Larsson) dat de soort zich in deze tijd (september) ophoopt rond Lake Erie voordat ze verder zuidwaarts afzakken. Vandaar die alomtegenwoordigheid.
  De parkeerplaatsmeeuwen bieden een uitgelezen kans om deze vogelsoort, in Nederland een zeldzame dwaalgast, eens goed te bestuderen. Jonge vogels, overwegend bruin met zwarte snavels, tweedejaars beesten in een bont pak van zowel bruin als lichtgrijs, en de prachtig volwassen dieren met indringende ogen en een scherpe zwarte dwarsband die over de felgele snavel druipt.