Roodkopgieren


Het zoveelste strandje aan Lake Erie dat ik afzoek voor strandlopers. In de verte tekent zich een samenscholing af van enkele schimmige, donkere gedaantes tegen de lichte zee en het lichte zand. Te groot voor kraaien. Ik zet mijn kijker erop: roodkopgieren.
  Even omschakelen. Gieren vormen een onverwachte verschijning, een anomalie in dit lege kustdecor. Ze hebben kennelijk een goede neus ontwikkeld voor de dode vis die door het meer op het strand wordt geworpen.
  Lopend langs de kustlijn vind ik diverse armlange vissen, deels afgekloven, koppen met holle oogkassen, graat en staart. Bij drie of vier van die uitgemergelde vissen bevinden zich een of meerdere gieren, schuwe vogels, regelmatig verdreven door een fanatieke jogger met hartslagmeter of echtpaar met hond, waarna ze doodleuk naar het volgende uitgemergelde vissenkadaver zeilen. Of ze vliegen de aangrenzende begroeiing in om tijdelijk met zijn zessen de takken van een kale dode boom te bezetten, ingetrokken nekken tussen hoog opgetrokken schouders.
  De eerste aaseters die na verjaging steevast terugkeren bij een vis zijn meeuwen, ringsnavels en Amerikaanse zilvers. Als de gieren dat een tijdje hebben aangekeken cirkelen ze traag omlaag, uitdijende schaduwen op het zand werpend, alvorens één voor één nabij te landen om met verende sprongen op de vis af te gaan. Om met hun rauwe rode koppen met ivoren haaksnavel aan de vis te sjorren.