Olievlek


We dobberen boven de rand van het continentaal plat, tien kilometer uit de kust, onder Sagres. De schipper heeft ons in een strakke baan hier naartoe gevoerd om stormvogeltjes en rariteiten te lokken.
  Met een oude pollepel roert de schipper in een zwarte plastic emmer met visolie en visafval, koude vissoep. Hij schept een lepel vol, buigt zich over de rand van de zodiac en roert het stinkende goedje door het water zodat het goed vermengt en verspreidt. De handeling wordt een paar keer herhaald.
  Vanaf de zodiac ontstaat stilaan een vlakke, lichtblauwe baan in het donkere water, die zich met de stroom mee uitstrekt. De olie veroorzaakt een textuur en lichtbreking die afwijkt van het omringende zeewater.
  Binnen enkele minuten is het geurspoor van de vis opgepikt en verschijnen uit het niets de eerste zwartwitte stormvogeltjes boven het olieslik. Hun aantal loopt op tot tien. Als zwaluwen schieten ze laag over het slik, waarbij ze soms met hun poten landen op het wateroppervlak, met trillende vleugels tegen de wind in, om voorover gebogen kleine visresten van het oppervlak te pikken.
  Onderwijl maakt het bootje allerlei opwaartse en zijwaartse sprongen onder invloed van de deining, wat een weeïg gevoel in mijn maag veroorzaakt. De geur van stookolie en rotte vis helpt daar niet bij. Ik weet het ontbijt binnen te houden maar ben blij als de schipper de motor weer opstart. Varen ligt beter op de maag dan dobberen.