Luieren


Over de rand van de Zuidpier kijk ik de laagte in, recht in het sympathieke gelaat van een zeehond. Die waande zich ongestoord en lag languit te zonnen op een drooggevallen betonblok. Van schrik glijdt hij het water in.
  Hij duikt vlak voor me op en onderwerpt me aan een nauwgezette inspectie. Even beoordelen wat voor vlees hij in de kuip heeft. Zijn ronde kop dobbert als een bal op de deining, de pupilloze dofzwarte ogen bestuderen me indringend en hij besluit dat er weinig gevaar valt te duchten. Een duik terug en hij worstelt zich weer op het rotsblok zoals een zwemmer zich op de badrand hijst.
  Zelf loop ik ondertussen door naar de punt (niets te beleven) en terug. De zeehond ligt er nog, ontspannen leunend op zijn rechter flipper. Zojuist leek zijn vacht donker, nu is hij opgedroogd en roomkleurig, een lichte fase. Wat morsige donkergrijze vlekken op zijn rug en een donkerbruine baan over zijn neus.
  Hij houdt me scherp in de gaten. Je voelt hem denken: daar heb je hem weer. Toch hervat hij zijn gewone activiteiten. Hij wrijft in zijn achterpoten en spreidt ze als Chinese waaiers, slanke tenen verbonden met zwemvliezen. Zijn linker voorpoot wrijft nadenkend over zijn voorhoofd. Regelmatig steekt hij snuit en achterpoten in de lucht en neemt een banaanhouding aan. Met een intense geeuw zwaait hij zijn kop hoog door de lucht.
  Zijn vermogen tot luieren is indrukwekkend. Daar kan onze aangewaaide zwerfkat nog een puntje aan zuigen.