Genève


Een dag in Genève. Over de stad hangt een grijze waas. Regen dreigt maar weigert te vallen. De pastelkleurige huizen aan het meer, panden van zeven verdiepingen hoog met sierlijk gekrulde, smeedijzeren balkons, ogen bleek en somber.
  Een paartje grote zaagbekken vliegt langs de gebouwen het meer op. Op een hoge meerpaal poetsen twee keurige Zwitserse geelpootmeeuwen hun pak strak.
  Langs de westoever loop ik naar de pier van Pâquis, waarlangs in 1872 een aantal populaire baden zijn gevestigd. Opvallend: zowel langs de oevers als op het gesteente langs de pier ontbreekt elk spoor van een steltloper. Dat voelt onwennig.
  Naar de oostoever. Een brug leidt over het eiland van Rousseau, een vogelreservaat in het woelige water van de Rhône, een gecultiveerde steenklomp met een restaurantje. Op en om het eiland hangt waterwild, grote zaagbekken in alle kleden, krooneenden en knobbelzwanen.
  Langs een klein ordelijk parkje naar het noorden. In het water een passief groepje kuifeenden met een enkele tafeleend. Een jachthaven. Boten in steigers op de kant, voor onderhoud. Hoog boven het meer zweven zwarte wouwen op geknikte vleugels.
  Ik neem plaats op de getrapte kade, een ontspanningsplek voor inwoners. Gezinnen met kinderen gooien brood. Opvallend: zowel grote zaagbekken als krooneenden met vlammende kruinen schieten op het voedsel toe. Dat doen ze thuis in de Waterleidingduinen niet.