En toch


Tussen de gordijnen door werp ik een korte blik naar buiten: stralend weer. Maar als ik naar de auto loop zie ik wel degelijk dikke wolkenplukken boven de kust hangen, waarvan sommige donkerder dan me lief is. Afijn, nu ben ik al onderweg.
  Ik kies mijn vaste positie aan het begin van de Zuidpier, aan de zeereep, en zet mijn telescoop op. Op het strand zelf hangt een rumoerige groep van een stuk of zeventig visdieven. Eind april is de piektijd van hun doortrek. Ook verder op zee vliegen visdieven rond, in gezelschap van grote sterns.
  Boven zee groeit het wolkenpakket almaar dikker en uit de donkerste delen valt neerslag, maar tot nu toe blijft de pier gespaard.
  De gehele groep visdieven vliegt regelmatig op vanwege een wandelaar of om niets. Individuen verdwijnen richting zee om later weer terug te keren. Anderen kruisen de pier en zetten vastberaden koers naar het noorden. Het strand vormt een tijdelijke hangplek waar voortdurend enthousiaste nieuwkomers binnendruppelen en andere juist verveeld vertrekken.
  Het voorjaar werkt al aanstekelijk. Sommige vogels draaien rondjes om elkaar met omhoog gerichte snavels en afstaande vleugelboegen en maken elkaar onwennig het hof.
  Inmiddels sluiten loodgrijze wolkenpartijen mij in en besluit ik haastig te vertrekken, voordat de pleuris uitbreekt. Net even te laat. Bij de jachthaven schuil ik onder de kiel van een geschraagde boot terwijl venijnige hagelstenen om me heen stuiteren.