Noorderstrand


Tram negen brengt me bij het Noorderstrand van Scheveningen, kort boven de pretpier. Het is zacht voor februari, zonnig met enkele lichte wolkenflarden. Het is lekker.
  Een jonge zilvermeeuw landt in een tientallen meters lange lagune met vaalblauw water. Vlak daarop landen er nog twee. Ik besluit met zon in de rug aan de oever te blijven posten.
  Vanaf zee komt een grote burgemeester aanvliegen, een sterk gebleekte vogel met een donker oog en een massief roze snavel. Eerste winterkleed. Hij landt aan de voorrand van het rimpelloze water en houdt onrustig de honden in de omgeving in de gaten.
  Een halfuurtje later volgt een tweede, een behoorlijk donkere vogel met een marmerachtige tekening op de veren. Deze is meer van mijn smaak. De burgemeesters staan nu vlak naast elkaar, de lichte achter de donkere, twee uitersten van een spectrum.
  Half januari heersten er stevige westenwinden. Die voerden zowel burgemeesters aan als een dikke laag zeebanket waarop zij konden foerageren. Rond Den Haag werden de meeste geteld, zes verschillende kleine en twaalf grote.
  Inmiddels begon het voer op het strand te rotten en stinken en is het de afgelopen week met een bulldozer verwijderd. Veel meeuwen zijn daarop verdwenen, maar niet allemaal.
  Bij het groepje in de lagune voegt zich een kleine burgemeester, ook een eerste winter vogel, ook zo'n sterk gebleekte. Nu staan er zeven meeuwen waarvan drie arctische burgemeesters. Een ongewone ratio.